Verkozen Stafhouder Peter Callens

Toespraak van verkozen stafhouder Peter Callens

Zonder onze maatschappelijke functie, kan geen enkele rechtsstaat functioneren

Mijnheer de stafhouder
Dame en heren stafhouders
Monsieur le bâtonnier
Monsieur le bâtonnier élu de l’Ordre français
Monsieur le dauphin
Hooggeachte en geachte confraters
Dames en heren

In juni 2017 stelden vier advocaten van onze Orde zich kandidaat voor het ambt van stafhouder. Uw dienaar was er één van. Ondanks de onmiskenbaar grote kwaliteiten van elk van mijn tegenstrevers, Mr Walter Muls, Mr Kris Wagner en Mr Bruno Blanpain, ieder op zijn manier, besloot de meerderheid onder u mij in de tweede ronde te verkiezen.

Ik groet elk van mijn tegenkandidaten vanop dit spreekgestoelte, het was een voorrecht campagne te mogen voeren aan uw zijde en ik heb uw loyaliteit en hoffelijkheid zeer op prijs gesteld.

De eer die mij vandaag te beurt valt is zeer groot en ik ben u daarvoor buitengewoon erkentelijk.

Het is inderdaad geen geringe eer om in de voetsporen te mogen treden van de stafhouders van de Brusselse Orde van advocaten sinds haar wederoprichting in 1811, nadat zij in de Franse revolutie afgeschaft werd, wegens overbodig en onwenselijk. Zo mogelijk een nog grotere eer is het de opvolger te mogen zijn van deken Hugo Van Eecke, de nestor van onze eigen Orde en onze pater patriae, en deze van zijn glansrijke opvolgers.

Ik kan niet alle stafhouders individueel opnoemen, maar ik wil er wel twee bijzonder vermelden: stafhouders Geneviève Boliau, stichter van de Orde van Vlaamse Balies, en Jean-Pierre Fierens. Onder hun ‘batonnaten’ ik heb mogen dienen als lid en daarna als secretaris van de Orde. Hoezeer beide stafhouders ook van elkaar verschilden, op zovele vlakken, van hen leerde ik het vak – als dat al een vak is – van lid van de raad van de Orde. Nooit heb ik beter kunnen zien hoezeer de diversiteit van onze Orde bovenal een bron van rijkdom is, veel meer dan van tweespalt. Wat ons bindt in de advocatuur is oneindig veel sterker dan wat ons scheidt.

De derde stafhouder onder wie ik in de raad van de Orde heb mogen dienen, mijnheer de stafhouder, dat bent u. U heeft zich de afgelopen (bijna) twee jaar met niet aflatende energie ingezet voor onze Brusselse advocaten en u wordt vandaag bekroond met een prachtige verkiezingsuitslag.

In het Boek Genesis hoofdstuk 3 vers 19 luidt het: “In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert”. Dat zweet uws aanschijns mogen wij in uw geval vrij letterlijk nemen, in die mate dat u doorgaans zelfs het tweede knopje van uw overhemd moest openmaken van het harde labeur. Dat brood eten, dat is dan weer iets minder toepasselijk op u. Een Nederlander zou u durven bestempelen als Bourgondiër, als hij niet wist dat u in het diepst van uw gemoed uzelf liever zou zien als Spanjaard. Zelfs uw e-mailsysteem is in het Spaans ingesteld, want e-mails van u krijgen het vaste opschrift: “Patrick Dillen escribió” – ik vertaal: “Patrick Dillen schreef”. Uw toespraken sluit u steevast af met een Spaans citaat, vandaag mochten wij genieten van een gedicht van Machado, zonder vertaling weliswaar zodat het een beetje “et pour les Flamands la même chose” was…

U ontdekt graag de wereld, schrikt er niet voor terug om onversaagd en op uw eentje een stapje in die wereld te zetten en onvrijwillig een soort verdwijntruc toe te passen, wat tot ongerustheid leidt bij uw reisgenoten die minder vertrouwd zijn met uw reisgewoontes. Maar gelukkig toont u bijtijds uw zin voor timing, want net vóór er paniek losbreekt verschijnt u weer gezond en wel terug op het toneel.

Meermaals moest ik bij een zeiler als u denken aan het gebed van de vissersvrouwen in Marseille: “Moeder Maria, bescherm onze mannen als ze op het vasteland zijn. Als ze op zee zijn zorgen ze voor zichzelf.”

Mijnheer de stafhouder, de spreuk “beter een goede buur dan een verre vriend” is aan u misschien niet voor de volle 100% besteed. Verre vrienden hebt u in grote aantallen. De 80.000 advocaten in Madrid, de 25.000 advocaten in Barcelona, ik denk dat u ze stuk voor stuk persoonlijk kent. U staat er ook bekend, en ik beschik over informatie uit eerste hand, als een voortreffelijk danser. U wordt daar en in andere, veelal zuidelijker gelegen landen, op handen gedragen.
Verre vrienden en vriendinnen genoeg dus, mensen op wie u zult kunnen terugvallen wanneer de onverbiddelijke tijdsklok het uur zal slaan waarop u stafhouder emeritus zult geworden zijn.

Een goede buur bent u zeker geweest voor de Franse Orde, ook daar kan uw populariteit niet stuk. Mijn informatie is eens te meer uit eerste hand.
Of u ook een goede buur gevonden hebt in de Orde van Vlaamse Balies, daarover zullen de rechtsgeschiedschrijvers van de toekomst mogen oordelen. Dat u het met de aanpak van deze organisatie vaak moeilijk had, is een publiek geheim. De OVB is dan ook, misschien wel deels onder uw impuls, bezig met een aggiornamento van haar governancemodel. Wij mogen hopen dat er uit deze oefening op termijn een slagvaardiger OVB zal mogen groeien, die rekening houdt met de eigenheid van de Brusselse balie.

U hebt er alvast uw stempel achtergelaten en u vergeten zal men niet, daar mag u stellig op rekenen. Er zijn nog zekerheden in dit ondermaanse.
Alles kan ik niet opnoemen, maar naar mijn inzicht, mijnheer de stafhouder, is van al uw wapenfeiten de belangrijkste verwezenlijking geweest de hervorming van de stageverplichtingen. En dan heb ik het over de aanzienlijke verlichting ervan. De stagiairs die de hervormingen live hebben mogen meemaken, zijn nu onverbeterlijke fans van u – en ik vermoed dat er zich onder de schare dankbaren ook heel wat stagemeesters bevinden.

U hebt ook het initiatief genomen, samen met uw ambtsgenoot van de Franse Orde, stafhouder Pierre Sculier, om met een aantal vertegenwoordigers van buitenlandse Ordes na te denken over de ontwikkeling van een Europese, uniforme deontologie. U deed dat op het ambitieuze European Lawyers Congress in Brussel op 1 juni. Uw inzichten daarover zullen de Orde het komende jaar zeker van nut kunnen zijn.

Voor wat de toekomst van onze balie betreft op de korte en middellange termijn ben ik u blijvende dankbaarheid verschuldigd voor de uitstekende bemanning (bevrouwing) van de stafdiensten van de Orde, i.h.b. het secretariaat in de brede zin: Annick, Els, Peggy, Jennifer, Anja en Vanessa die met grote gedrevenheid en steeds goedgemutst, ondanks de hoge werkdruk en de (laten wij voorzichtig zeggen suboptimale) informatica-ondersteuning vanuit de OVB, onze Orde doen draaien. Dames, ik kijk ernaar uit met u de komende tijd te mogen samenwerken.

Het zal mij een bijzonder genoegen zijn, mijnheer de stafhouder, u als pro-stafhouder te mogen terugvinden in de raad van de Orde. Een schoonmoeder had ik in feite al, maar met u erbij zal ik een jaar lang gezegend zijn met twee schoonmoeders. Zoveel rijkdom had ik mijzelf nooit durven voorspellen.
Evenzeer kijk ik ernaar uit om met de leden van de Raad, de herverkozenen en de nieuwe leden, samen te werken om onze balie nog beter en performanter te laten worden. Het is ook in deze geest dat ik zal samenwerken met de onvolprezen secretaris-generaal Mr. Krista Esselens en de immer alerte kabinetschef van de stafhouder, Mr. Luc Vanheeswijck.

* * *

In het Engels zegt men van een barrister dat hij of zij “was called to the Bar”, alsof het een roeping was. Misschien is het dat ook. Mijn eigenste jongensdroom was al: advocaat te worden. Had ik te veel gekeken naar de toenmalige televisiereeks “Beschuldigde sta op”? In ieder geval blijft het zo, tot op de dag van vandaag, dat wanneer iemand mij vraagt: “had je niet iets anders willen doen in het leven?”, ik mij in alle eerlijkheid niet kan voorstellen dat ik iets anders zou kunnen geworden zijn dan advocaat.

Mijn baliecarrière ving ik aan op voorspraak van mijn professor mededingingsrecht aan de rechstfaculteit in Leuven en gewezen lid van de raad van de Orde Mr. Jacques Steenbergen, die mij oriënteerde naar Mr. Francis Herbert, op het kantoor van stafhouder Antoine Braun. Mijn stagemeester werd Mr. Jean-J. Evrard. Hij heeft mij een vorm van niet-lichtzinnige lichtheid aangeleerd heeft waarmee cliënten, dossiers, zaken en per slot van rekening het hele professionele leven kunnen worden opgenomen. Aan zijn levensles moet ik denken wanneer ik de woorden van Paul Valéry lees: “Il faut être léger comme l’oiseau, non comme la plume.” Het is een devies dat ik wel tot het mijne zou willen maken.

Vervolgens zijn er alle advocaten met wie ik een bijzondere band heb. Er zouden er teveel zijn om op te noemen, maar ik vermeld mijn vieux compagnon de route Mr Philippe Péters: wat ons bindt is een onvervangbare wervel in de ruggengraat van mijn carrière; en Mr. Joan Dubaere, trouwe vriend in voor- en tegenspoed.

Ten slotte dank ik mijn kantoor Loyens & Loeff voor de kans die het mij geboden heeft om dit mooie ambt te mogen uitoefenen. Bij voorbaat dank ik alle medewerkers, en mijn secretaresse Sylvia, die zich inzetten voor de dossiers waarvoor ik insta. Jullie zullen de komende tijd minder last van mij hebben en tegelijk de gelegenheid krijgen om meer dan ooit jullie autonomie te tonen en zo mijn eigen overbodigheid aan te tonen. Uitdagingen bieden kansen: grijp ze met twee handen! Dank voor alle inspanningen die jullie zullen verrichten.

* * *

Terug naar onze Orde.

De imponderabilia van het rechtsleven maken het doen van voorspellingen te vermetel om waarachtig te zijn.

Maar van mij wordt verwacht u iets te zeggen over waar ik, op het professionele vlak, mee bezig ben en waar ik ’s nachts van wakker lig. Ik geef u een greep daaruit, zonder de aspiratie volledig te zijn.

  1. Als eerste punt noem ik een kerntaak van de Orde, de bijstand aan de minstbedeelden, de havelozen en de lavelozen. Degenen die teveel in Boek XX van het Wetboek Economisch Recht hebben zitten lezen en nu denken dat er van de advocatuur niet veel meer overgebleven is dan een zootje commerçanten (ik kom er straks nog op terug), mogen eens komen kijken op het BJB en ervaren met welke inzet en grootmoedigheid de advocaten zich daar inzetten voor diegenen voor wie niemand anders opkomt. Wij zullen blijven werken aan dat fundament van de balie, onder het nieuwe voorzitterschap van Mr. Nathalie Buisseret. Wij zullen ook waken over de kwaliteit van de dienstverlening en een toolbox samenstellen om deze kwaliteit te screenen, eventuele misbruiken te beteugelen en, Annick en Peggy zullen het graag horen, de infrastructuur beter te beveiligen.
  2. Hetzelfde geldt voor de Stageschool, onder de directie van Mr. Cynthia Nowé. Nu wij weten dat de universiteiten niet happig zijn om advocaten een eigen opleiding te geven, moeten wij het zelf doen. Niet getreurd, wat wij zelf doen, doen wij beter, of toch meestal. Samen met de OVB, de Stageschool en de Stagecommissie, onder de nieuwe leiding van Mr. Luc Vanaverbeke, zullen wij werken aan een deugdelijk programma. Wij hebben in Brussel de allerbeste lesgevers en zullen onze stempel drukken op het lessenpakket.
  3. Ik vermeldde al de OVB. Er zijn tijden geweest, in een niet zo ver verleden, mijnheer de stafhouder, dat onze liefdesrelatie met de OVB toegekomen was aan een relatietherapeut, die er echter niet was. Het lijkt er inderdaad op dat de verhoudingen in de loop der jaren scheefgegroeid zijn.’s Mensen geheugen is kort, en dat van afgevaardigden in de algemene vergadering van de OVB ontsnapt bepaald niet aan deze natuurwet. Velen vergeten dat Brussel aan de wieg stond van de Vereniging van Vlaamse Balies, die later de Orde van Vlaamse Balies geworden is. Om de andere balies niet voor het hoofd te stoten en hun vrees voor een oppermachtig Brussel in te tomen, heeft Brussel aanvaard verhoudingsgewijs minder afgevaardigden in de algemene vergadering te hebben dan een zuiver proportionele telling zou toelaten.Het is inmiddels echter te vaak gebeurd dat er een match werd gespeeld “Brussel tegen de rest van het Vlaamse land”, die dan op penalties moest gewonnen worden door de rest.Ik wil van de nieuwe samenstelling van de algemene vergadering van de OVB profiteren om te werken aan een hernieuwde relatie met alle stafhouders in het bijzonder, en met de algemene vergadering in het algemeen.Met dat korte geheugen vergeet men ook vaak, dat wanneer er in het verleden ontwikkelingen kwamen die de advocaten nu, waar ook te lande, tot voordeel strekken, en die zij zelfs als een evidentie beschouwen, deze ontwikkelingen eerst ontstaan zijn in Brussel en pas later elders zijn overgenomen. Nu wij hier onder elkaar zijn kan ik het wel zeggen: de omgekeerde beweging heb ik eerlijk gezegd nog niet zo vaak waargenomen.Ik neem mij voor, met de nodige omzichtigheid, de overige stafhouders aan de onmiskenbare realiteit van de voortrekkersrol van Brussel te herinneren.
    Wat er ook van zij, wij zullen met open vizier en met hernieuwd enthousiasme aanhaken bij de werking van de OVB. Samen met de Brusselse afgevaardigden zullen wij de Brusselse stem laten horen, telkens wanneer het nodig of wenselijk is. Ik druk de hoop uit dat het Brusselse voorstel om een afwijkende, Brusselse regeling toe te laten als dit voor Brussel van wezenlijk belang is, volgende week de stemming zal halen in de algemene vergadering. Maar ook als dat niet zo zou zijn, dan nog ga ik ervan uit dat er naar ons geluisterd zal worden, meer dan voorheen, en ik zal de vinger aan de pols van de OVB houden. Wij zullen een aanwezigheidspolitiek voeren zodat Brusselse advocaten in alle geledingen van de OVB gehoord worden en wij rekenen daarvoor op u aller steun. Wie zich geroepen voelt om in de OVB actief te zijn mag zich bij mij aanmelden.
  4. Onze balie is een open en democratische balie. De balie is als een pauwenstaart, met daarin alle kleuren van de regenboog. Welke politieke, religieuze of niet-religieuze overtuiging u ook bent toegedaan, aan de balie is plaats voor u mits u de principes van de moderne rechtsstaat, de eed van de advocaat en de deontologie respecteert.Geld of afkomst, ras of stand mogen geen belang hebben, alleen talent telt. Wij moeten meer inspanningen leveren om de diversiteit van de maatschappij ook vertegenwoordigd te zien aan de balie, en in dat verband zullen wij vanaf de middelbare school inspanningen doen om jonge mensen uit de migrantengemeenschappen aan te trekken tot de rechtenstudie en later tot de balie. De bewustwording dat geschillen via normale rechtsgang binnen het kader van onze rechtsstaat beslecht kunnen worden, lijkt mij een middel bij uitstek te zijn om integratie te bevorderen zonder assimilatie op te dringen – en parallelle vormen van cultureel of religieus gedreven rechtspraak tegen te gaan.
    In dit kader neem ik mij ook voor de samenwerking met de balie van Lubumbashi voort te zetten. Wij kunnen daar, binnen de bestaande akkoorden, assistentie bieden op het vlak van documentatie, bibliotheek en vorming van jonge confraters (zowel de onze als die van bij hen). Dit is een vorm van samenwerking met mensen die ons zeer lief zijn, en die niemand anders kan of zal bieden. Wij doen dat met beperkte middelen en toch kunnen wij daar het verschil maken – de blikken van appreciatie in de ogen van de mensen, dat o zo zeldzame goed in onze contreien, dat alleen al maakt het de moeite waard.
  5. Ik wil een luisterend oor zijn voor onze balie. Ik bied u aan, wanneer u het wenst, te luisteren naar uw bekommernissen. De balie biedt, zoals geen enkel ander beroep dat doet, een structuur waarbinnen er overlegd kan worden om in de grootste discretie te werken aan een oplossing. Het is een treurig gegeven dat meer en meer advocaten voor hun onderlinge geschillen hun toevlucht zoeken tot de rechtbanken. Ik ben in deze een adept van overleg, bemiddeling en indien nodig, arbitrage binnen onze beroepsgroep. Mij lijkt het dat iedereen daar beter van wordt.Als het met advocaten ernstig fout gaat, zullen wij echter optreden. Wij zullen dat doen met menselijkheid, begrip en omzichtigheid, wees daarvan verzekerd. Maar als het nodig is, moet het gebeuren. In tuchtzaken wens ik de drive erin te houden. Die zaken moeten vooruitgaan, tenzij in de mate dat zij op het punt van de bewijsgaring opgehouden worden door lopende strafprocedures. De dossiers die ik niet zelf behandel, wil ik van nabij volgen zodat de aangewezen verslaggevers zich door de stafhouder gesteund voelen en ik de dossiers, waar het gepast is, tijdig naar de tuchtraad kan verzenden.
  6. Last but by no means not least, de Orde behartigt de belangen van de advocatuur. De recente evoluties in de wetgeving, vaak tot mijn grote spijt onder Europese impuls, sterken mij in het geloof dat de belangen van de advocatuur samenlopen met de belangen van de maatschappij in het algemeen en van de rechtsstaat in het bijzonder.

Ik ben de overtuiging toegedaan dat wij op een kruispunt staan, een kruispunt waarop wij moeten kiezen welke richting wij uitgaan. Deze richting zal bepalend zijn voor de toekomstige generaties. Ik chargeer het niet: de keuzes die gemaakt worden zullen even bepalend zijn als wat er gebeurd is bij Amerikaanse en de Franse revoluties eind achttiende eeuw, even bepalend als de doorbraak van de mensenrechten na de Tweede Wereldoorlog. De richting die onze maatschappij zal inslaan hangt natuurlijk niet af van de advocatuur. De invloed die wij kunnen uitoefenen is beperkt, maar dat wij onze stem moeten laten horen, daar twijfel ik niet aan.

Ik heb het niet over de technologische revolutie die zich aan het voltrekken is. Artificiële intelligentie, blockchain, big data: allemaal onontbeerlijke hulpmiddelen, waarin wij moeten investeren en ons bekwamen om er het beste uit te halen, en het is waarschijnlijk dat een aantal taken die advocaten nu verrichten, straks door machines zullen worden overgenomen. Maar meer dan een hulpmiddel is het niet.

De ongeluksprofeten en toogfilosofen die de ondergang van de advocatuur voorspellen volg ik voor geen meter. Deze zoetwatermatrozen hebben nog nooit een rechtbank van dichtbij gezien, nooit een conclusie geschreven, nooit een contract onderhandeld, nooit aan een cliënt moeten vertellen dat hij zijn proces verloren heeft, nooit ervaren wat het met je doet wanneer je een moeilijke zaak wint. Zij zullen ons niet vertellen wat er met de balie zal gebeuren. De eerste mens die in een belangrijke zaak de verdediging van zijn belangen, de advisering over wat hem of haar te doen staat, de onderhandeling van zijn contracten en de beslechting van zijn geschillen overlaat aan een computer, hoe smart ook, die moeten wij echt nog zien geboren worden. De advocaat is de enige die deze taken kan vervullen.

Waar ik het wél over heb, zijn de rechtsstaat-ondermijnende maatschappelijke bewegingen die al een tijd aan de gang zijn, en waarin onze rechtsstaat recent weer een paar veldslagen verloren heeft.

Aan de ene kant wil men ons en de maatschappij doen geloven, ik had het er al over, dat wij ondernemers zijn. Op zich heb ik daar geen enkel probleem mee, wij zijn ook ondernemers, en kunnen onze efficiëntie enkel verstevigen als wij nog betere ondernemers worden. De advocatuur moet zich professionaliseren; het klein-ambachtelijke, hoe charmant ook, zal misschien nog in beperkte mate stand kunnen houden, maar de toekomst van ons beroep ligt in het aanwenden van de modernste technieken, zorg dragen voor de kwaliteit van de dienstverlening en de cliëntgerichtheid.

Het probleem met dat ondernemerschap is dat sommigen, ook vanuit de eigen beroepsgroep, ons willen kantonneren tot het alleen maar ondernemer zijn.
Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat het bepaalde groepen goed uitkomt dat onze echte maatschappelijke kerntaak in de schaduw gedrongen wordt. De kerntaak die erin bestaat, met de privileges die de wet ons toekent, de verdediging waar te nemen van de burgers, de instellingen, de ondernemingen, de verenigingen. De burgers te adviseren over hun rechtspositie, ze bij te staan bij de onderhandeling van hun overeenkomsten, ze te wijzen op de voordelen en de nadelen van hun keuzes, diezelfde burgers raad te geven in de keuze van hun strategie in de uiteenlopende waaier aan menselijke relaties met juridische connotaties, en dat te doen zonder inmenging van anderen, binnen de afbakening van onze deontologie. Dat is waar wij voor staan. Sommige kringen willen maar al te graag onszelf en onze cliënten ervan overtuigen dat wij boven alles ondernemers zijn, die in wezen niet verschillen van consultants allerhande.

Ik verzet mij met de grootst mogelijke klem tegen deze ideologisch geladen, reductionistische visie op ons beroep, die met gretigheid brandhout wil maken van onze, door de eeuwen heen opgebouwde tradities en privilegies van onafhankelijkheid en vrijheid van spreken in de rechtbanken: onze essentiële maatschappelijke functie, zonder welke geen enkele rechtsstaat kan functioneren.

* * *

Er is een nog veel gevaarlijkere tendens waarmee wij rekening moeten houden. Ik heb het over de stille afbraak van ons beroepsgeheim: de antiwitwaswetgeving – gelukkig getemperd door geïnspireerde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof –, de aanpassing ervan m.b.t. de uiteindelijk begunstigden (UBO’s) en nu recent, als klap op de vuurpijl of voorlopig dieptepunt, de EU-Richtlijn over de verplichte aanmelding aan de fiscus van zogenaamd agressieve fiscale structuren.1

Sommigen onder u denken misschien dat deze aanmelding een plicht is die rust op fiscalisten. Ik moet u teleurstellen. Ook als een advocaat niet-fiscalist “hulp, bijstand of advies [verstrekt] met betrekking tot het bedenken, aanbieden, opzetten, beschikbaar maken voor implementatie of beheren van de implementatie van een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie” kan hij gehouden zijn tot melding aan de overheid, tenzij hij zich kan beroepen op zijn wettelijk beroepsgeheim. Maar als ons beroepsgeheim van toepassing is, dan moet de cliënt zelf de aanmelding doen, hetgeen datzelfde beroepsgeheim meteen neersabelt en herleidt tot een hoopje stof.

De Europese richtlijngever heeft de vriendelijkheid gehad te preciseren dat de sancties bij overtreding “doeltreffend, evenredig en afschrikkend [moeten] zijn”.
Met dergelijke regelgeving verwordt de advocaat tot de uitgeschoven arm van de overheid, de belastinginspecteur en, waarom niet, de politie-inspecteur.
Er zijn drie zaken die mij fundamenteel tegen de borst stoten bij deze ontwikkelingen.

Vooreerst is er de sluipende uitholling van ons beroepsgeheim. Sluipend, omdat zij begonnen is bij niet-contentieuze bestrijding van drugshandel en terrorisme. Wie kan daar nu tegen zijn? Maar inmiddels zitten wij al, binnen het bestek van enkele jaren, aan de vijfde anti-witwasrichtlijn, met telkens verdergaande maatregelen die allang niet meer beperkt zijn tot drugshandel of terrorisme, die nu meer bijzaak dan hoofdzaak geworden zijn.

Wij raken gewend aan een lopende richtlijn, en daar is de volgende al. Gaandeweg nemen wij iedere keer weer dat nieuwe schepje erbij: de meeste mensen storen zich er toch niet aan en hebben er geen last van (of denken dat zij er geen last van hebben). Maar de tendens is duidelijk. Ons beroepsgeheim moet voor de bijl, en als bezitters van kostbare geheimen van onze cliënten moeten wij hun verklikkers worden, wanneer het toch zoveel hogere belang van de overheid op het spel staat. Dat wij de depositarissen zijn van zovele geheimen, stoort en bekoort tegelijk en dus komt men ons zoeken. Ik kan mij daarmee niet verenigen.

Ten tweede leidt dergelijke wetgeving tot perverse effecten. Gezien enerzijds de talloze interpretatieproblemen die erin voorkomen wegens het vage, gewild niet-juridische taalgebruik, en anderzijds de mogelijke sancties, kunnen de advocaten niet anders zijn dan katholieker dan de paus. Voorzichtigheidshalve moeten zij voor zichzelf een veiligheidsperimeter instellen, die aan een wetgeving die op zich al zeer vérstrekkend is, een nog breder toepassingsgebied te geven. Veel advocaten hebben bijvoorbeeld op eigen initiatief de identificatieplicht van de witwaswet, die beperkt is tot bepaalde operaties zoals de aan- of verkoop van onroerend goed of bedrijven, uit te breiden naar alle cliënten en alle zaken zonder onderscheid. De inktvlek van dat soort vrijwillige perimeters zal enkel nog verder uitdeinen – en dat is precies de bedoeling van deze lamentabele en lafhartige regelgever.

Ten derde, en dat is misschien op korte termijn nog het ergste, de “mandatory disclosure”-richtlijn, zoals zij in het jargon heet, gooit perfect wettig advies en hulp bij fraude op één hoop, waarmee de suggestie gewekt wordt dat de advocatuur de mededader is van de fraudeurs. Dat soort verwerpelijk amalgaam moet absoluut ophouden.

Het wordt de hoogste tijd dat onze wetgevers inzien dat de advocatuur, als geen andere, de taak op zich neemt om het cliënteel uitleg te geven over het recht en dit recht te doen naleven. In onze adviserende taken, of als wij onze cliënten helpen om contracten af te sluiten of daaraan uitwerking te geven, is er niemand die de normconformiteit in de maatschappij betracht zoals wij dat doen. Wij zorgen ervoor dat het recht wordt nageleefd, niet dat het overtreden wordt. Sterker nog, wij aanvaarden niet als onze cliënten tegen ons advies in, de wet zouden gaan overtreden. Wij zijn de garanten van de correcte toepassing van het recht. In plaats van ons aan de schandpaal te nagelen zouden onze wetgevers zich beter daarvan rekenschap geven.

* * *

Monsieur le bâtonnier élu Me Michel Forges, celui que je peux désormais appeler mon ami, ik verheug er mij op met u te kunnen samenwerken, alsook met uw dauphin Mr. Maurice Krings, met het oog op de verbetering van de werking van de balie en de bescherming van de belangen van onze advocaten. In de eerste plaats de Brusselse advocaten maar in een breder kader de gehele advocatuur. Ik ben er zeker van dat onze uitstekende banden zullen leiden, telkens wanneer het nodig is, tot een vruchtbare samenwerking, zonder dat wij onze eigenheid hoeven te verliezen.

Dames en heren, advocaten zijn dwarsliggers en zij moeten dat zijn. Zij wijzen op de beperkingen, hiaten en dysfuncties in de regelgeving en in de instellingen. Omdat wij dat doen zijn wij onmisbaar in een moderne maatschappij. Wij zijn de stem die zonder macht, maar met des te meer autoriteit kan spreken, wij hebben de kracht van het woord en kennen de nodige regels en hebben de nodige hoffelijkheid om onze boodschap over te brengen. Nu geldt meer dan ooit wat dit personage uit de opera Armide van Jean-Baptiste Lully, één van mijn all-time favourites, zegt: “Ce n’est pas être sage, qu’être plus sage qu’il ne faut.”

Wij zijn met ons beroepsgeheim onmisbaarder dan ooit tevoren: in onze maatschappij ligt alles op straat, wordt alles uitgesmeerd in de pers, op het Internet, en langs alle kanten worden wij in onze vertrouwenstaak belaagd. De balie moet opstaan en spreken. Erop hameren dat, als wij niet de veilige haven zijn waarin geheimen bewaard kunnen worden, niemand nog beschermd kan worden tegen willekeur, en de onverbiddelijke wet van de totale transparantie met al haar uitwassen zal toeslaan. De burger verdient beter dan dat en de advocatuur is zijn laatste reddingsboei – Minister Koen Geens zei dit letterlijk op een studiedag over de rechtsstaat in Mechelen, enkele weken geleden, en ik zal niet nalaten hem eraan te herinneren – en inderdaad, als deze reddingsboei wegvalt, zitten wij in George Orwells “1984”, in de film “Das Leben der Anderen”.
Laten wij er alles aan doen om nu de juiste weg in te slaan, ik zal er mij voor inzetten.

Ik heb langer gesproken dan ik gewild had, te lang, en nochtans is mijn stelregel deze van de meest onsterfelijke van onze confraters, de Romeinse advocaat Marcus Tullius Cicero: “brevitas mihi amicissima.” Beknoptheid is een van mijn grootste vrienden. Vandaag heb ik met mijn eigen stelregel teveel vrijheid genomen – ik hoop op uw welwillendheid te mogen rekenen. Ik dank u voor uw aandacht en voor uw vertrouwen. Leve de advocatuur.

 

1 RICHTLIJN (EU) 2018/822 VAN DE RAAD van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies, te vinden op https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:2018:139:FULL&from=NL.